Korenbloemen

Die korenhalmen hier zullen binnenkort wel weer gekortwiekt worden en dan hoor je van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat weer het ronkende geluid van ‘Claas’, de grote dorsmachine. Helaas is het dan ook direct einde verhaal voor deze blauwe bloeiers. Niet zo moeilijk waarom ze korenbloemen heten, lijkt me! 

In Frankrijk heet de korenbloem ‘bleuet de France’. Waar in Goot-Brittannië en ook in Amerika en Canada de klaproos als herdenkingsbloem symbool staat voor alle gesneuvelden van de Eerste en Tweede Wereldoorlog (inclusief de slachtoffers van latere gewapende conflicten) wordt daar in Frankrijk veelal deze ‘bleuet’ voor gebruikt. Iets wat ik overigens niet wist over die korenbloem.

Waarom nu deze ‘bleuet’ als symbool? Dat is, net als bij de klaprozen, terug te voeren naar de oorlogsvelden van weleer. Korenbloemen en klaprozen groeien goed op omgewoelde aarde. Op de slagvelden met z’n vele loopgraven en granaatinslagen kwamen deze bloemen destijds dan ook in grote getale voor. Waarom de Fransen dan voor de korenbloem hebben gekozen en niet zoals de Engelsen ook voor de klaproos, zal wel een vorm van eigenwijsheid zijn geweest, dacht ik in eerste instantie. Maar ik las dat het met de blauwe kleur van de korenbloem te maken had. Het blauw van de bloem verwijst bijvoorbeeld naar de kleur destijds van het Franse uniform en tevens naar de eerste kleur op de Franse vlag. Ook werden jonge en nog niet ervaren soldaten die voor het eerst in blauw tenue de oorlog in gingen ‘les bleuets‘ genoemd. Jonge en onervaren personen: wij zouden hen dan groentjes noemen maar de Fransen hebben het dus eigenlijk over blauwtjes! 


‘Le bleuet de France’ als mooi symbool maar ook gewoon als een mooi bloemetje. 

Wat is wijsheid

In het tuintje grenzend aan de ‘geitenschuur’ zit een hardnekkige wildgroeier. Tel de blaadjes maar en je weet dat het hier om zevenblad gaat. In de volksmond wordt het ook wel tuinmansverdriet genoemd; nu ja, in mijn geval dan tuinvrouwverdriet en daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Tenminste…. als je er vanaf wilt komen.

Zevenblad is een lastig onkruid dat via worteluitlopers flink doorwoekert onder de grond. Die wortels zijn moeilijk te verwijderen en iedere keer als ze afbreken groeit er razendsnel een nieuw plantje uit. Dit zevenblad van ons is, als niet opgemerkte verstekeling, een keertje meegereisd met de plant ‘alchemilla mollis’, oftewel vrouwenmantel. Ooit met de beste bedoeling van iemand gekregen, die vast niet heeft geweten dat er ook wat worteltjes van dat zevenblad meeverhuisden.

Ik ben eens even in de boeken gedoken. Er zijn een paar dingen die ik kan doen, lees ik.

-Zodra dat zevenblad z’n hoofd boven de grond uitsteekt, het gewoon iedere keer weg plukken. Helemaal kwijt raken zul je ‘m niet maar door dat gepluk verzwakt de plant wel en zal die minder snel groeien.

-De border leeghalen en hem vol zetten met aardappelplanten. Het schijnt dat dat zevenblad daar geen grote fan van is. Op de plekken waar de aardappelen gepoot zijn, schijnt na verloop van tijd geen zevenblad meer te willen groeien. Zijn de aardappelen gerooid, dan kun je de border weer volzetten met ‘schone’ planten.

-Een sterke bodembedekker erbij zetten, zoals de geranium macrorrhizum, die het zevenblad dan eigenlijk verdringt.

-De boel de boel laten en dat zevenblad gewoon lekker laten groeien en er je voordeel mee doen. Het blijkt namelijk een vitaminerijk plantje te zijn. Je kunt het blad, net als sla of spinazie gewoon eten en dan met name de jonge blaadjes. Een hartige taart met het zevenblad als ingrediënt, in combinatie met kaas en eieren, schijnt ook heel smakelijk te zijn. Aldus het grote groene (on)kruidenboek.

Daarnaast schijnt het zevenblad ook nog geneeskrachtige eigenschappen te bezitten. Het werkt namelijk vochtafdrijvend, stimuleert de werking van de nieren en verlaagt de bloeddruk.

Heel lang geleden was men ook al op de hoogte van de geneeskrachtige werking van dit plantje. Toen werd het veelal ingezet bij gewrichtsklachten. Van het zevenblad werd een papje gemaakt en dat werd dan als een soort van nat verband om de pijnlijke gewrichten gewikkeld, waardoor de pijn verminderde.

Dus wat zeur ik nu toch eigenlijk over dat ‘fantastische’ zevenblad in m’n border! Niks tuinvrouwverdriet: ik laat het plantje daar gewoon vrolijk tekeer gaan. Scheelt trouwens ook heel wat werk!

Wat betreft al die boekentips: er groeien al heel wat geraniums in die border maar zo’n geranium macrorrhizum als extraatje erbij zetten als krachtige verdringer van dat zevenblad vind ik toch wel een aardig idee en het staat nog mooi ook. De border leeghalen om daar nu aardappels in te gaan poten vind ik op dit moment wat te ver gaan maar zou in geval van hoge aardappelnood altijd nog een mogelijkheid zijn. Blaadjes ervan plukken, ga ik sowieso doen. In ieder geval om de boel op die manier in toom te houden maar ook om er eens een keertje een gezonde pot thee van te trekken of er een groen soepje van te maken. Taarten bakken vind ik leuk, dus die hartige taart met dat zevenblad ga ik ook maar eens uitproberen.

Viooltjes

Tijdens een blokje om kwamen we deze wilde viooltjes tegen, groeiend in de berm langs de kant van een smal landweggetje. In het echt zijn de bloemetjes een beetje kleiner maar de foto is wat uitvergroot.

Ik heb zitten puzzelen of het hier nu om akkerviooltjes gaat of om driekleurige viooltjes of dat het gewoon een mix is: ‘one big happy family’. Mooi zijn ze in ieder geval. Wat betreft lekker ruiken: ik heb er met m’n neus eens boven gehangen maar een hele duidelijke en lekkere geur heb ik niet kunnen ontdekken. In tegenstelling tot bijvoorbeeld het maarts viooltje, dat niet voor niets in het Latijn ‘viola odorata’ heet en waarmee wordt aangegeven dat er een odeur oftewel geur aan moet zitten en in dit geval dan ook nog eens een lekkere geur.

Misschien is de volgende legende over die wilde akkerviooltjes toch niet zo gek. Ooit, heel lang geleden, verspreidden die viooltjes een heerlijke geur. Om eerlijk te zijn, eigenlijk veel lekkerder dan die van het maarts viooltje. De plantjes groeiden meest van tijd op de akkers tussen het graan en waren door die lekkere geur een zeer aantrekkelijke plukplant voor jong en oud. De plukkende mensen namen het niet zo nauw met het graan op de akkers en om maar zoveel mogelijk van die geurende viooltjes te kunnen verzamelen werd het graan aan alle kanten ruw vertrapt, met slechte oogsten tot gevolg. Het viooltje zag dit, kreeg medelijden met het graan en verzocht de goden om de lekkere geur van haar weg te nemen en deze maar aan het maarts viooltje te geven. Dat kon minder kwaad omdat het maarts viooltje niet op de akkers groeide maar onder hagen en struiken.

Dus ik kan hier nu wel de hele dag blijven snuiven en snuffelen tot ik een ons weeg maar door de smeekbede destijds van dat akkerviooltje, is dat dus allemaal vergeefse moeite!

Nog wat leuke weetjes over het viooltje; maakt niet uit welk soort trouwens!

Als je om regen verlegen zit, pluk dan ‘s ochtends heel vroeg als er nog dauwdruppeltjes op de bloemetjes zitten, een viooltje. Binnen de kortste tijd zal het dan gaan regenen.

Sta je op met een flinke kater: maak van viooltjes een bloemenkrans en draag die de hele dag op je hoofd. Dat deden heel vroeger de oude Romeinen al. Na een overdadige drinkpartij liepen ze met een krans van viooltjes op hun hoofd………..aldus het verhaal.

Viooltjes in een groep bij elkaar, gaan met de bloemetjes naar elkaar toestaan zodra er regen in aantocht is. Bij mooi weer staan alle hoofdjes weer naar buiten gericht.

Betonijzer?

Op onze wandeltocht door het fruitgebied van pas geleden, liepen we langs deze boomgaard. In eerste instantie dachten we dat de fruitboer in een grijs verleden wellicht in het betonwerk had gezeten en hier nog wat aan het fröbelen was geweest met een restje betonijzer. We moesten echt even iets dichterbij komen om te zien wat die staken nu precies waren.

De eigenaar van deze bomen is hier aan het enten geweest. Het is een manier om de goede eigenschappen van twee bomen te combineren. Een afgesneden twijg, afkomstig van een zo sterk en gezond mogelijk fruitboomras, dat bij voorkeur ook nog veel vruchten geeft, wordt op een andere boomstam ‘geplakt’ waardoor ze samen weer knus verder groeien. Na deze ‘operatie’ wordt het geheel goed verbonden en met speciale entwas afgedekt. 

Op onderstaande foto zie je dat de rechter twijg al flink is gegroeid. Ik vermoed dat het er eentje van vorig jaar is geweest. De twijg op de linker stam is waarschijnlijk recent geënt maar daar zie ik ook al wat knopjes verschijnen.

 

Hier zie je ter verduidelijking nog een tekening van de hele ‘operatie’.

(foto internet)

Caractère genoeg!

Rijdend van Saint Laurent du Pape richting la Voulte sur Rhône zie je aan de linker kant, stevig tegen een berg aangedrukt, het dorp Beauchastel liggen. Het is een van de zoveel Villages de Caractère hier in de Ardèche en eentje die we nog niet eerder hebben bezocht. Om nu alle karakteristieke dorpen met een bezoekje te vereren, gaat ons wat te ver maar toch hebben we er afgelopen jaren al wel wat bezocht. Chalencon, Désaignes, Boucieux le Roi en wat verder richting het zuiden, Antraïgues sur Volane, Balazuc en Vogüé, allemaal mooie sfeervolle dorpjes.

Een Village de Caractère word je trouwens niet zomaar. Het is een officieel kwaliteitslabel dat door ‘le Comité Départemental du Tourisme’ aan een dorp toegekend kan worden.

Om zo’n titel te krijgen moet er wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moet het om een dorp gaan van niet meer dan 2000 inwoners. Het dorp dient ook toeristisch gezien wat in z’n mars te hebben: bijzondere monumenten, kerken of kastelen en burchten met een historisch verleden of oude sfeervolle huizen van basalt, kalk-of zandsteen. Het moet in een mooie omgeving liggen, variërend van een dorp in een wilde en ongerepte natuur, een groene vallei, op een rots of aan een rivier of in een terrassengebied met mooie kastanjebossen of berghellingen vol met wijnstokken. Verder moet zo’n gemeente voldoende aandacht schenken aan de leefomgeving van de inwoners en tevens het milieu beschermen. Het dorp moet gastvrijheid hoog in het vaandel hebben staan en voldoende accommodatiemogelijkheden kunnen aanbieden. Dat geldt ook voor horecagelegenheden. Organiseert het dorp dan ook nog voldoende culturele evenementen, dan klopt het plaatje helemaal. Dus even gewoon een bord plaatsen aan de ingang van het dorp; vergeet het maar!

Beauchastel ligt op een plek waar de Rhône en de Eyrieux zo’n beetje samenkomen. Volgens de boeken al daterend uit de twaalfde eeuw en gebouwd onderaan een kasteel. Daar komt uiteindelijk ook z’n huidige naam vandaan. Van oorsprong heette het Bel Castel. Niet zo moeilijk om daar een Beau Chateau van te maken. Uiteindelijk werd dit Beau Chateau verbasterd tot Beauchastel. Terugkomend op die naam; er moet dus ergens op deze plek ooit een kasteel hebben gestaan maar helaas is daar, op een markante toren na, niets meer van te bekennen. Die toren zie je al vanaf de weg duidelijk boven het oude dorpscentrum uitsteken. Om eerlijk te zijn, is de weg er naartoe veel mooier dan die hele toren. Via allerlei smalle en sfeervol geplaveide straatjes, overdekte steegjes en kronkelende trappetjes slenter je er op je dooie gemak doorheen.

Loop maar met ons mee!

Nog heerlijk rustig zo, zonder hordes toeristen. Reken maar dat het hier in de zomer schuifelen geblazen is!

Snippers

Ze bestaan al langere tijd maar hier in Le Cheylard is dit de eerste PET-flessen verslinder. Een PET-fles is een wegwerpfles voor frisdranken en andere vloeistoffen, vervaardigd uit polyethyleentereftalaat, aldus Wikipedia. Een woord om bijna je tong over te breken.

Het flessenapparaat staat bij de ingang van de Super U, ziet eruit als een Amerikaanse koelkast XXL en luistert naar de naam b:bot. Het leuke eraan is dat, wanneer je er een fles in gooit, je gelijk ziet hoe deze smakelijk wordt ‘verorberd’ en dat er uiteindelijk aan het einde van ‘die maaltijd’ nog maar hele piepkleine snippertjes plastic zijn overgebleven.

Het is een mooie uitvinding van drie ‘groen’ denkende mannen van de Normandische firma GreenBig. Bij het bedenken van deze flessenvernietiger was het motto ‘niet alleen maar méér flessen recyclen maar ook nog béter recyclen’. Dit slimme apparaat zorgt ervoor dat de weg die een lege afgedankte fles af moet leggen om weer opnieuw als bruikbare fles het licht te kunnen zien, een stuk korter wordt. Alle flessen die in het apparaat belanden (en dan kan het wel gaan om zo’n drieduizend flessen) worden via streepjescodes en sensoren gelezen, geanalyseerd, gesorteerd en versnipperd.

Versnipperd en wel gaan ze allemaal in grote zakken direct naar de flessenfabrikanten die deze snippertjes weer kunnen gebruiken als grondstof voor nieuwe flessen. Een veel directere weg dan dat eerst de vuilniswagen de gele afvalcontainer voor plastic en blik moet legen, naar de afvalverwerking moet brengen waar de bruikbare flessen dan weer gescheiden moeten worden van het overige plastic-en blikafval.

Voor elke geaccepteerde fles verzamelt de consument punten of centen. Hij kan op het apparaat kiezen om ze op zijn klantenkaart op te slaan of een bonnetje te trekken en in te leveren bij de kassa als hij z’n boodschappen afrekent of en nog veel beter natuurlijk, deze centen als een gift te doneren aan bijvoorbeeld ‘Oceans Sans Plastiques’.

De Put

Gisteren hadden we een zogenaamd tandendagje. Als we in Nederland zijn, proberen we altijd de aangename zaken met de wat minder aangename maar toch wel noodzakelijk dingen te combineren. Een bezoek aan de tandarts hoort in dit geval wat mij betreft, bij die laatste categorie!

We waren wat aan de vroege kant. In het Coronaloze tijdperk was dat altijd wel leuk, want dan zocht je in de wachtkamer gewoon een plekje aan de grote leestafel en dook je lekker weg in de tijdschriften die daarop lagen. Eigenlijk hoopte je maar dat je niet te snel bij de tandarts naar binnen werd geroepen. Tja, kiezen vullen of je tijd vullen met lezen…… drie keer raden waar de voorkeur naar uitgaat! In deze Coronatijd mag je maar een paar minuten van tevoren naar binnen en is de leestafel met alle tijdschriften helaas verdwenen. Geen probleem; om de tijd te doden hebben we even een rondje om de Put gelopen. Officieel heet dit water de Tijningenplas maar ik denk dat de meeste mensen die hier wonen het nog steeds over de Put hebben.De plas is ontstaan toen in de vorige eeuw de Van Heemstraweg werd aangelegd; één van de langste doorgaande wegen van Nederland met één straatnaam of, om eerlijk te zijn, bijna met één straatnaam. Het grootste gedeelte heet Van Heemstraweg maar er zijn ook stukken die de naam Van Heemstrabaan hebben. Deze lange weg begint zo’n beetje even voorbij Zaltbommel en loopt helemaal door naar Nijmegen.

Voor de aanleg van die weg is destijds veel zand nodig geweest en dat werd onder andere hier afgegraven. Wat uiteindelijk overbleef is deze mooie waterplas.Vroeger was dit een plek waar onze kinderen graag naartoe gingen om te zwemmen, dobberen, spelen, chillen (voor zover ze dat woord toen al kenden!) en vast nog wel meer spannende dingen. In die tijd was het nog niet een officiële zwemgelegenheid maar werd het zwemmen in de plas wel gedoogd. De gemeente heeft recent de plas en de omgeving er omheen wat aangepakt en opgeknapt en nu staat de Put of als je wilt, de Tijningenplas, sinds medio vorig jaar op de lijst van officiële recreatieve zwemplekken in de Bommelerwaard.

In de knoop

Gisteren waren we bij vrienden op bezoek die onlangs zijn verhuisd naar Vorden. Jammer genoeg was het de hele dag maar een mistige bedoening maar zelfs ondanks al dat sombere grijs, kon je toch wel zien dat het een hele mooie omgeving is daar in de Achterhoek. ’s Middags zijn we even aan de wandel geweest en op een gegeven moment liepen we bij kasteel Vorden door een klein beukenlaantje. Niets bijzonders natuurlijk, die hebben we in Frankrijk ook, zou je zeggen. Maar als je goed kijkt hebben de beuken die hier staan wel een hele bijzondere groeiwijze; in de takken zitten namelijk allemaal knopen. Soms maar eentje maar in andere takken zie je er een heleboel zitten of zijn er zelfs takken onderling aan elkaar geknoopt. Daar moet natuurlijk een verhaal achter zitten; een romantisch verhaal zelfs!

Al generaties lang is dit laantje een favoriete wandelplek voor verliefde stellen. Zo ‘deeply in love’ als ze waren, moest dat ook op een of andere manier bevestigd worden en dat deden ze door in de laaghangende jonge beukentakken gezamenlijk een knoop te leggen. Het verhaal ging dat als je dit had gedaan, je liefdesband alleen maar steviger en hechter werd. Door al dit geknoop zie je nu dus rechts en links van dit pad beuken staan met wat apart gevormde en vreemd vergroeide takken. In de ene zit een wat losse knoop, waarschijnlijk nog niet zo heel lang geleden erin gelegd maar in andere takken zie je er ook heel wat die daar al lange tijd moeten zitten. Die zien er nu eigenlijk meer uit als dikke knoesten.

In 1976 zijn door de droogte in dat jaar heel wat beuken doodgegaan waardoor ook veel oude knoestige knopen zijn verdwenen. Gelukkig zijn er daarna weer genoeg jonge beuken aangeplant die ook weer takken hebben waar volop in geknoopt is. Deze traditie blijft gewoon doorgaan. Het laantje dat van oudsher eigenlijk te boek stond als ‘het Krebberslaantje’, heeft nu door al die verliefde en knopende stellen een passender naam gekregen, namelijk ‘het Knopenlaantje’.

Toch altijd leuk om van dit soort oude gebruiken het achterliggende verhaal te  horen!

Tja, ik kon het natuurlijk niet laten en heb er ook maar een knoop in gelegd!

Met wat fantasie

Bovenaan onze toegangsweg ligt al jarenlang dit stuk hout. Het zal vroeger vast wel een fier rechtopstaande boom zijn geweest maar nu rest alleen nog maar dit stuk ervan.Iedere keer als we erlangs lopen, stoppen we even. We houden ons hoofd een beetje scheef, kijken een beetje door onze wimpers en laten onze fantasie de vrije loop. Eigenlijk komen we telkens uit bij het hoofd van een dier. Wellicht van een liggend paard dat z’n hoofd laat rusten op de voorbenen.

Maar……..het zou trouwens ook zomaar een hoofd van een wombat kunnen zijn. Een wombat? Nooit van gehoord, zul je denken. Je zult hem hier in Frankrijk dan ook echt niet tegenkomen, hooguit misschien in de dierentuin. Het is een buideldier dat veelal leeft in bosrijke gebieden in het zuidoosten van Australië en op Tasmanië en is in de verte familie van de koala. De wombat is alleen geen klimmer; hij leeft op of onder de grond. De naam van het beest is al mooi maar het leukste of meest aparte wat ik las over de wombat is het feit dat hij kubusvormige uitwerpselen schijnt te produceren en daar zelfs een soort van muurtjes mee bouwt. Dat moet onze eigen murenbouwer natuurlijk wel aanspreken!

En dit hele verhaal enkel en alleen maar omdat wij hier een beetje staan te fantaseren bij een stuk hout!

(foto wombat van internet)

Herderstasje

Tijdens een wandeling pas geleden, zagen we dit ‘herderstasje’ hier in de berm staan. De naam heeft de plant te danken aan de vorm van die kleine dingetjes die aan de stengel zitten. Die hebben de vorm van de tas die een herder vroeger bij zich had. Ook andere namen worden wel genoemd, zoals bijvoorbeeld ‘lepeltjeskruid’. Die kleine tasjes aan de stengel lijken namelijk ook wel wat op lepeltjes.

Met dat herderstasje deden kinderen vroeger altijd spelletjes. Ze lieten hun vriendjes en vriendinnetjes dat plantje zien met de vraag of ze zo’n lepeltje eraf wilden plukken. Deden ze dat, dan werd er plagend geroepen: “Lepeldief, lepeldief, je vindt je vader en moeder niet lief!”.

Vroeger wist ik niet beter dan dat het een hartjesplant was. Waarschijnlijk omdat die kleine ‘tasjes’ ook wel wat op hartjes lijken. Als kleine kinderen hadden we een variant op dat lepeldief rijmpje. Geen idee of we dat misschien wel zèlf hadden verzonnen maar het zal vast met die hartvormige lepeltjes te maken hebben gehad. Met die plant ging je naar je favoriete vriendje toe. Die moest dan zo’n hartvormig lepeltje eraf trekken en dan zong je het rijmpje: “Hartendief, hartendief, vind je mij of die ander lief”. Het was dan de bedoeling dat het vriendje je een kus zou geven. Een ramp natuurlijk als dat niet werd gedaan: een jong en onschuldig meisjeshart zomaar in één klap aan gruzelementen!

Wat betreft liedjes over ‘kusjes vragen’ had je er ook eentje waarbij je midden in een kring van kinderen moest staan. Onder het zingen van het liedje ‘een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, wie zal ik een kusje geven’ draaide je in het rond met je ogen dicht en wijzend met je arm. Bij het laatste woord van het liedje stond je stil en diegene waar je uitgestrekte arm dan naar wees, moest je een kusje geven. Natuurlijk speelde je dan een beetje vals en stiekem kijkend tussen je wimpers door, probeerde je precies stil te staan bij je favoriete klasgenoot. Tjonge, wat voor herinneringen er wel niet allemaal boven komen bij het zien van dat simpele herderstasje!

Ik hoor de kinderen al zeggen: “Dat heet nu oud worden, mam”!