De ‘bollen’ van Metz

Als uitsmijter nog even een berichtje over de ‘bollen’ van Metz.

Op het gezellige Place de Chambre met z’n vele restaurantjes, wordt aan het einde van ieder jaar de traditionele Kerstmarkt opgebouwd. Diverse stalletjes in Kerstsfeer waar het goed winkelen, eten en drinken is. Voorgaande jaren is deze markt niet doorgegaan in verband met de Corona maatregelen maar afgelopen Kerst was het weer mogelijk. Niet op het gebruikelijke Place de Chambre maar dit keer op het grotere Place de Comédie waar de stalletjes op voldoende Corona afstand geplaatst konden worden.

Voor het kleinere Place de Chambre is ook iets verzonnen om toeristen te trekken. Op 19 november zijn er enkele grote transparante koepels geplaatst, waarin men na reservering kan eten en drinken aan keurig gedekte tafels. Iedere koepel is versierd, verwarmd, er klinkt sfeervolle achtergrondmuziek en een gezelschap van zo’n 14 man kan erin plaatsnemen. Obers van aangesloten restaurantjes komen de koepel in om het bestelde eten en drinken aan tafel te serveren.

Tot 19 februari blijven de koepels nog op dit plein staan. Het is een leuke manier om gezelschappen iets anders dan het gebruikelijke aan te kunnen bieden en je kunt het ook nog gezellig in je eigen ‘bubbel’ doen. Blijken deze koepels een doorslaand succes te zijn, dan verschijnen ze wellicht de volgende Kerstperiode opnieuw.

Tussenstop Metz, Centre Pompidou

Metz bezoeken zonder ook het Centre Pompidou te bekijken, kan natuurlijk niet. Als je klaar bent met het bezoek aan het station van Metz, duik je gewoon even onder het spoor door, waarna je aan de andere kant van het station tegen het Centre Pompidou aanloopt. Een bijzonder gebouw, ontworpen door de Japanse architect Shigeru Ban in samenwerking met de Franse architect Jean de Gastines. Als je de folders leest, moet het golvende dak op een wat slappe Chinese hoed lijken, die de Japanse architect ooit eens in Parijs schijnt te hebben gevonden. Ik moest wel even zoeken op internet wat hij nu toch zou bedoelen met een Chinese hoed maar ik geloof dat ik nu enige gelijkenis zie. Trouwens, anderen hebben het over de hoed van een grote cantharel; vind ik ook wel een leuke vergelijking.

In het midden van het gebouw staat een spitse mast van 77 meter hoog. Het zou een symbolische verwijzing zijn naar het jaar van de opening van het gelijknamige museum in Parijs in 1977.

Centre Pompidou is een centrum van kunst en cultuur. Hedendaagse kunstenaars kunnen hier hun werken, ideeën, toekomstvisies, levensvragen, noem maar op, exposeren. Dat betekent dat je als bezoeker getuige kunt zijn van zeer uiteenlopende Kunst en ‘kunst’.

Toen wij het Centre bezochten, waren er drie exposities te bewonderen. Op iedere etage één.

– Écrire, c’est dessiner 

– Toi et moi, on ne vit pas sur la même planète

– L’art d’apprendre, une école des créateurs. 

De expositie die ons enigszins aansprak was die van ‘Écrire, c’est dessiner’. De tentoonstelling is gebaseerd op een idee van Etel Adnan, kunstenares, dichteres en schrijfster. Ze werd geboren in Libanon uit een Griekse moeder en Syrische vader. Ze groeide op in Beiroet, sprak Grieks, Arabisch, Frans en Engels, studeerde in Parijs en Amerika en woonde en werkte jarenlang op beide plekken. Afgelopen maand november is ze op 96 jarige leeftijd overleden.

Brieven, manuscripten en grafische werken van zo’n vijfduizend jaar oud en van diverse dichters, kunstenaars en schrijvers staan gebroederlijk naast elkaar tentoongesteld op deze expositie. Het streven van Etel Adnan was om mensen te laten kijken naar de kunst van het geschreven woord en de getekende letters en symbolen, ongeacht taal of herkomst, zoals men ook kijkt naar schilderijen in een museum.

Hieronder een impressie van wat kunstwerken.

Op internet is voor de echte liefhebber trouwens genoeg informatie te vinden over alle drie de tentoonstellingen. 

Wijzelf zijn er doorheen gewandeld en hebben regelmatig even stil gestaan bij de zeer uiteenlopende kunstuitingen. Is het niet zo zeer de kunst dan is in ieder geval het markante gebouw met z’n fraaie constructie al een reden om dit Centre Pompidou met een bezoek te vereren. 

Tussenstop Metz met nog meer moois

Nog wat verder dwalend door Metz komen we langs een Middeleeuwse stadspoort, de Porte des Allemands. Het bouwwerk lijkt hier met z’n torens bijna meer op een kasteel dan een stadspoort! 

De stadspoort is gebouwd tussen de dertiende en de vijftiende eeuw. De naam verwijst trouwens niet naar Duitse soldaten die hier doorheen banjerden maar naar een ziekenhuis van de Duitse Orde dat zich destijds vlakbij deze poort, in de Rue des Allemands bevond. Tijdens de tweede wereldoorlog werd het geheel in 1944 voor een groot deel beschadigd maar later zijn grote delen ervan weer in oude stijl opgebouwd.

Het Middeleeuwse Place Sint Louis is een van de mooiste pleinen van de stad.

Nu zo in de winter misschien wat kaal ogend maar in de zomer moet het hier met alle terrassen een gezellige boel zijn.

Aan de ene kant van het plein bevindt zich een lange wand van huizen uit de 14e en 16e eeuw. Deze worden gesteund worden door stevige bogen. De ruimte hieronder was destijds het domein van de geldwisselaars en bankiers. Tegenwoordig zitten er diverse winkeltjes en cafeetjes.  

De dame van het Office de Tourisme, waar we een plattegrond van de stad hadden gehaald, vroeg aan ons of we met de trein waren gekomen en zo niet, dat we dan zeker even langs het station moesten wandelen. Ze vertelde dat het station was uitgeroepen tot het mooiste van Frankrijk. Dat moesten we zelf natuurlijk ook even beoordelen!

Het station ziet er niet echt uit als een station. Het oogt meer als een kruising tussen een of ander paleis en een grote kerk.

Het is aan het begin van de twintigste eeuw gebouwd in de tijd dat Metz nog onderdeel uitmaakte van het Duitse Rijk. Keizer Wilhelm II liet het bouwen om op deze manier een snelle verbinding tussen Metz en Berlijn te verkrijgen. Hij stond erop dat het station enige allure moest bezitten zodat zijn troepen zowel een beetje statig ontvangen als ook weer in stijl uitgezwaaid konden worden. Het door de Duitse architect Jürgen Kröger ontworpen station werd in 1908 ingehuldigd. De grote klokkentoren schijnt trouwens door Keizer Wilhelm II zèlf te zijn ontworpen!

We komen al wandelend terug naar ons hotel nog meer Duitse invloeden tegen. Vanaf het station lopen we door het Quartier Impérial, de wijk die ook al in de tijd van keizer Wilhem II is gebouwd. Het is een ruim opgezet geheel met heel veel stadsvilla’s in diverse stijlen. Avenue Foch vormt zo’n beetje de overgang naar het oude Metz. Dat Foch moeten we trouwens niet op z’n Duits uitspreken maar op z’n Frans als een soort Fosj, merkten we toen we de weg vroegen.

Deze vakwerkvilla op bovenstaande foto doet wat denken aan de vakwerkhuizen in de Elzas. Hij is gebouwd in 1904 door de architect Eduard-Hermann Heppe en staat bekend als Villa Salomon.

Ons hotel lag vlakbij le Temple Neuf, een protestantse kerk op Petit-Saulcy, een eilandje dat in de rivier de Moezel ligt. Niet verkeerd om daar iedere keer langs te moeten lopen op weg naar ons hotel! Een echte blikvanger en helemaal zo tegen het einde van de middag, als hij mooi verlicht is. Drie keer raden……deze Temple Neuf stamt ook al uit de tijd van keizer Wilhelm II!

Zoals ik al eerder aangaf, is het bijna net zo leuk om, naast het bezoeken van alle highlights, gewoon op je gemak door de stad te slenteren.

Hier kwamen we langs een poort die open stond en waardoor we even een blik op de binnenplaats konden werpen. Er woont vast een liefhebber van oude haardplaten!

In een achterafstraatje liepen we lang dit winkelpand waarin een vioolbouwer is gevestigd. Typisch Coronatijd; een viool links in de etalage ‘draagt’ hier een mondkapje!

Tussenstop Metz, de kathedraal

Afgelopen weekend zijn we in Metz geweest, op zo’n bijna 600 kilometer vanaf onze berg een mooie stop halverwege. Metz is ook weer zo’n stad waar we altijd voorbij rijden en dan tegen elkaar zeggen dat we daar eens nodig moeten gaan kijken. Bij deze dus en geen spijt!

Vrijdagmiddag kwamen we al aan. Een hotelletje geboekt en gelijk maar vast een eerste oriëntatieronde door de stad gemaakt. Het weer die dag was wat somber en grijs maar omdat heel veel gebouwen in Metz opgetrokken zijn uit geel kalk- en zandsteen, gaf dat best wel een zonnige sfeer. En nog beter, zaterdag hadden we zelfs een heus zonnetje. We hebben als echte toeristen zo’n beetje alle highlights gezien. Groot voordeel is dat het daar allemaal goed te belopen is. Alleen om naar het Centre Pompidou, aan de andere kant van de stad te komen, hebben we op de heenweg een shuttlebusje gepakt. Heerlijk om even onze voetzolen rust te gunnen! Terug hebben we weer de benenwagen genomen en eigenlijk is dat ook het leukst want dan loop je door de mooiste straatjes.

De grote kathedraal van Metz of, zoals hij officieel heet, la Cathédrale Saint-Étienne de Metz, is natuurlijk niet te missen. De torens ervan steken hoog boven de stad uit. De kerk is aan de buitenkant al heel mooi met al z’n gebeeldhouwde versieringen maar als je binnenkomt gaat het genieten nog even door.

Overdag met zon en een blauwe lucht!

Mooi verlicht ’s nachts.

Zodra je zegt dat je deze kathedraal gaat bezoeken, hoor je van iedereen dat je goed omhoog moet kijken naar alle mooie glas-in-lood ramen en inderdaad, ze hebben gelijk. Schitterende kunstwerken, in de meest mooie kleuren uitgevoerd. Diverse kunstenaars hebben in de loop der eeuwen hieraan een bijdrage geleverd.

Dit is al een heel oud glas-in-lood raam. Het werd in 1384 gemaakt door Hermann von Münster.

Boven het altaar de vijf ramen van Jacques Villon.

De bekendste kunstenaar is Marc Chagall. Heb je het over deze kathedraal, dan begint iedereen gelijk zijn naam te noemen. De naam van de glazenier Charles Marq mag in dit verband trouwens ook wel aangehaald worden, want hij was uiteindelijk diegene die in samenwerking met Chagall, deze kunstwerken zo mooi in glas-in-lood heeft gezet.

Meer dan 6.500 vierkante meter aan gebrandschilderde en glas-in-loodramen in deze kathedraal! Met al het licht wat hier doorheen schijnt wordt de kerk niet voor niets aangeduid als ‘la lanterne du Bon Dieu’, ‘de lantaarn van de Goede God’.

Er is nog veel meer te bewonderen in Metz maar dat komt wel in een volgend bericht.

Nog een restje sfeervol Cluny

Naast het bekijken van de bekende Abdij en alles wat daarbij hoort hebben we ook lekker op ons gemak door de smalle klinkerstraatjes geslenterd, her en der stilstaand om wat moois of bijzonders vast te leggen.

Een luik in een luik.

Kunst op de muur bij ‘le Clos de l’Abbaye’, chambres d’hôtes in het centrum van Cluny.

Op de hoek van Rue des Ravattes en Rue Lamartine een fraaie afbeelding op een blinde muur met een tekst die uit “les fenêtres” afkomstig is, een chanson van Jacques Brel. Onder die afbeelding bevindt zich een fontein maar die vond ik wat minder interessant.

Schilderij op een muur ergens in het oude centrum.

Dit pand viel op door de mooie gebeeldhouwde versieringen rond het raam en de deur. Het blijkt hier om het oude hôpital Saint-Blaisne te gaan, waar heel vroeger de armen werden verzorgd.

Plaatjes van brons, oftewel bronzen spijkers. Vanaf l’Office de Tourisme begint er een wandelroute door de stad die gemarkeerd wordt met deze bronzen spijkers. Je ziet hierop een pijl afgebeeld en de beeltenis van het paaslam. Het beeld van dit lam is ook in de Abdij te zien.

Gewoon een leuk uithangbord, aan de muur van dit winkelpand. Vast niet moeilijk om te raden wat een ‘cordonnier’ is.

We hebben nu alleen maar even kunnen ‘snuffelen’ aan Cluny en veel historische gebouwen waren helaas dicht op de dag dat wij het stadje bezochten, dus Cluny blijft nog wel even op ons lijstje staan, denk ik!

Tussenstop in Cluny

Het bevalt ons erg goed om de reis vanuit Nederland terug naar Frankrijk in tweeën te knippen, zeker in de winter met z’n korte dagen. We hebben geen zin om ‘s avonds in het pikkedonker op onze berg te moeten aankomen. De eerste dag lekker doorkarren, een hotelletje zoeken, de volgende dag nog even het stadje in en daarna weer door om vóór het donker aan te komen. Zo ook vorige week, toen we weer richting Frankrijk vertrokken.

Dit keer was de stop in Cluny. Sinds Ernest zich door het boek ‘De Bourgondiërs’ van Bart van Loo heeft geworsteld, staat dit stadje hoog op z’n bezoeklijst. Natuurlijk moet je dit soort plaatsen eigenlijk bezoeken met mooi zonnig weer maar helaas, dat zit er ‘s winters niet altijd in.

Cluny is een sfeervol stadje dat gegroeid is rondom een mooie abdij. Deze abdij dateert uit het begin van de tiende eeuw en was ooit de machtigste en grootste van Europa. In de loop der eeuwen is de abdij helaas in verval geraakt en tijdens de Franse revolutie zelfs voor het grootste gedeelte gesloopt. Van de oorspronkelijke gebouwen is uiteindelijk maar zo’n kleine 10% bewaard gebleven. Misschien wel dan niet veel meer maar wel mooi gerestaureerd! Het gaat me wat te ver om de hele geschiedenis hiervan uit de doeken te doen. Op internet is er voldoende over te lezen. Gewoon door het stadje slenteren en genieten van alles wat je ziet, is veel plezieriger.

Uitzicht op de toren van de Abdij van Cluny, van de Eglise de Notre-Dame en de Tour des Fromages

La Tour des Fromages. De naam heeft het te danken aan een vrouw die op deze plek haar zelfgemaakte kazen liet drogen. Aldus het verhaal.

Portes d’Honneur, de oorspronkelijke hoofdingang van de abdij

Trap richting het lager gelegen kerkplein met nog wat overblijfselen van het destijds hoger gelegen voorportaal

Vanaf de andere kant

Nog een keer de toren van de Abdij

Als je op de péage in de buurt van Cluny rijdt, passeer je zo’n groot toeristisch bord waarop een paard wordt afgebeeld. Nooit geweten dat Cluny ook iets met paarden had maar wèl dus. In de tijd van Napoleon werden er diverse stoeterijen opgericht die in de eerste plaats bedoeld waren om paarden te kunnen leveren voor de oorlog. Zo ook deze stoeterij in Cluny, ‘le Haras National’. De stallen bevinden zich in gebouwen van de abdij. Van het fokken van oorlogspaarden werd in de loop der tijd het accent meer en meer gelegd op het fokken van sport- en vrijetijdspaarden. Tegenwoordig worden er paarden getraind, is er op het terrein een manege en een renbaan en worden er diverse spring- en dressuurwedstrijden georganiseerd.

La Tour Fabry is een van de torens in de Middeleeuwse verdedigingsmuur rondom Cluny. De toren staat aan de rand van le Parc Abbatial waarin zich een openlucht theater bevindt en waar in de zomer regelmatig concerten worden gegeven.

Net echt

Gisteren moesten we even naar de grote ‘kluswinkel’ in Valence en op de weg ernaartoe reden we door het plaatsje Guilherand-Granges. Net voordat je de brug over de Rhône pakt, kom je langs een paar appartementengebouwen waar een ware kunstenaar zich heeft uitgeleefd op de zijgevels van de panden.

Op de website van Guilherand-Granges lees ik dat het stadsbestuur, in het kader van de herstructurering en verfraaiing van de Avenue de la Répulique, het schilderscollectief ‘Haut-les-Murs’ heeft ingehuurd om de gevels van deze wat gedateerde woonappartementen te voorzien van een mooie ‘trompe-l’oeil’. Een met naturalistische precisie geschilderde voorstelling die bedoeld is om de toeschouwer te bedriegen door een illusie van de werkelijkheid op de muur op te wekken. Zo wordt een trompe-l’oeil aangeduid. En inderdaad, de afbeeldingen lijken bedrieglijk echt!

Hieronder zie je allebei de panden nog een keer wat uitvergroot.

Ik zou zo de deur inlopen van het restaurant ‘les Mariniers’!

Het lijkt toch of er echt een paar balkonnetjes aan die gevel hangen!

Voor de aardigheid laat ik ook nog even plaatjes zien van hoe de gevels er eerst uitzagen. (foto’s website Guilherand-Granges)

Dit was de gevel van ‘les Mariniers’.

En zo zag de gevel eruit van het appartement met de balkonnetjes.

Ik weet wel welke gevels ik mooier vind!

Tussenstop in Le Puy en Velay

Door alle aandacht aan die jonge haasjes afgelopen tijd, ben ik bijna vergeten te vertellen dat we op de terugreis van Saint Hilaire Luc naar onze berg, nog even een dagje in Le Puy-en-Velay zijn geweest. La Chapelle de Saint Michel, het kapelletje dat bovenop een zeer smalle basaltrots is gebouwd, stond nog steeds op ons lijstje om een keer te gaan bezoeken. De eerdere keren dat we in Le Puy waren was het veel te druk maar nu buiten het hoogseizoen en met nog niet teveel toeristen in de stad was het de moeite waard om de klim te ondernemen. We dachten trouwens altijd dat de kapel in de stad Le Puy stond maar officieel valt die net buiten de stadsmuren. Het kapelletje hoort dus bij de gemeente Aiguilhe.  Voordat je begint aan de 268 tellende trap omhoog, kun je beneden bij de ontvangstruimte eerst nog een filmpje bekijken waarin uitgelegd wordt hoe dit soort rotsen zijn ontstaan. Dat was in de tijd dat er nog geen sprake was van Frankrijk, laat staan van Le Puy! Duizenden jaren geleden was dit gebied gewoon zee. In het water ervan leefden diverse dieren en diertjes die na hun dood op de bodem terecht kwamen. De skeletten van al die miljoenen diertjes vormden in de loop der jaren een dikke laag kalksteen. Deep down, op de plek waar nu zo’n beetje Le Puy ligt, waren destijds diverse vulkanen actief. De hoeveelheden lava die bij de uitbarstingen naar buiten werden gespuwd, konden zich maar met moeite door die dikke laag kalksteen heen wurmen. Uiteindelijk kwamen ze, in de vorm van wat puntige ‘torens’, boven de kalklaag uit. Na verloop van lange tijd viel de zeebodem droog. De laag kalksteen sleet weg door regenwater en wat overbleef waren die zogenaamde vulkanische schoorstenen waar in de tiende eeuw op een ervan dus dit kapelletje werd gebouwd.

Genoeg informatie; we willen naar boven!

Halverwege de beklimming heb je een mooi uitzicht op de kathedraal Notre-Dame du Puy en het rode Mariabeeld. Bezienswaardigheden die we al een keertje eerder hebben bezocht.

Toen we uiteindelijk boven bij het kapelletje aankwamen, was er juist een mis gaande. Stilletjes zijn we naar binnen gegaan en hebben daar op een bankje achterin de kapel even genoten van de bijzondere sfeer.

Tussenstop in Langres

Na een gezellig bezoek bij vrienden in Cunel, vertrokken we de volgende ochtend vanuit een witte wereld: sneeuw! Glibberend over de smalle weggetjes reden we weg. De witte sneeuw ging langzaam over in natte sneeuw om uiteindelijk gewoon in regen te veranderen. Regen die de rest van de dag regelmatig met bakken uit de hemel kwam zetten. Niet echt een leuk vooruitzicht om dan een plaatsje te gaan bezoeken, zoals we van plan waren.

Langres is, net als Metz, Nancy, Dijon, Beaune en Lyon, zo’n plaats waar we altijd voorbij racen. Eigenlijk willen we altijd zo snel mogelijk op onze berg arriveren en gunnen we ons geen tussenstop. Langzaam maar zeker proberen we dat om te buigen naar een overnachting halverwege. Is het niet een hotelletje op de heenweg dan wel eentje op de terugreis. Lyon en Beaune hebben we al een keer bezocht en nu hebben we dus Langres met een bezoek vereerd. Ondanks de regen en de soms stormachtige wind hebben we toch nog een wandeling over de vestingmuur gemaakt. En wetend dat na afloop van die natte tocht een sfeervol oud hotelletje middenin Langres op ons stond te wachten, maakte gewoon alles weer goed. Een aanrader trouwens, die wandeling over de stadsmuur maar dan zou ik er wel een droge dag voor uitzoeken en het liefst ook nog met wat zon erbij!

Een paar wat sombere foto’s om toch nog een indruk te krijgen van ons bezoek aan Langres.

Hotel de la Poste. Voor het hotel staat een boom waarin iemand helemaal los is gegaan met het bouwen van houten vogelhuisjes. Ik geloof dat er wel zo’n vijftig van die dingen in hangen. En nu maar wachten of er vogeltjes in gaan zitten!

Om met je auto door de kleine en steile straatjes naar de oude bovenstad te moeten rijden, is niet echt een feest. De auto laten staan op dit gratis parkeerterrein onderaan de stadsmuur is dan een prima alternatief. Wil je niet met de trap omhoog, dan kun je deze wat futuristisch ogende funiculaire gebruiken. Deze glazen liftbak brengt je in een vloek en een zucht naar boven.

Onderweg tijdens de wandeling over de stadsmuur kom je dit oude treintje op een stuk spoorbaan tegen. Hij staat er nu gewoon voor de sier maar laat eigenlijk een stukje geschiedenis zien. In 1887 werd hier namelijk de eerste tandradbaan van Frankrijk in gebruik genomen. Via deze tandradbaan ‘le chemin de fer à crémaillère de Langres’ klom ooit een stoomlocomotief, met twee of drie wagons achter zich aan, vanuit het station beneden Langres omhoog naar de oude bovenstad.

Deze oude ansichtkaart kwamen we tegen in een brocante winkeltje. Het geeft een mooi beeld van hoe hier vroeger het treintje reed.

Vanaf de stadsmuur zie je nog net een stuk van het dak van de Cathédrale Saint-Mammès met die mooie gekleurde en geglazuurde dakpannetjes die je in deze streek wel meer ziet.

Nog een stukje dak van de Cathédrale.

Altijd lastig trouwens om zoiets op de foto te zetten. Of het dak loopt scheef òf de toren. Nu ja, in het echt staat de boel wel recht!

Op weg naar Bretagne

Afgelopen week zijn we vanuit de Picardie afgezakt naar Bretagne. Van de weerberichten op Météo France werden we niet zo vrolijk: iedere dag regen. Maar eigenlijk is het hartstikke meegevallen. De mensen hier in Bretagne luisteren niet eens naar die weersvoorspellingen. Gewoon van dag tot dag bekijken wat het weer doet en mocht het regenen, dan is die bui hier aan de kust zo weer weggewaaid, zeggen ze. En inderdaad, het klopte als een bus! We hebben maar één ochtendje ons regenjack aangehad.

Tijdens de rit naar Bretagne hebben we overnacht in Fougères, net voorbij de Normandische grens. Fougères stond niet op onze ‘mooie stadjes lijst’ maar daar hebben we gelijk verandering in gebracht. Een hele fraaie stad, verdeeld in een hoger en lager gedeelte. Mooi geplaveide straatjes, oude statige huizen afgewisseld met vakwerkhuizen en natuurlijk het grote Middeleeuwse kasteel. Ooit vroeger een van de meest indrukwekkende versterkte burchten van Europa, staat er geschreven. Helaas waren we te laat aangekomen om het kasteel ook van binnen te kunnen bekijken maar met de buitenkant waren we ook al dik tevreden. Vanaf de bovenstad heb je een mooi uitzicht op het kasteel. Volgens de beschrijving moet het kasteel dertien torens hebben. Waarschijnlijk wat verdekt opgesteld want ik heb ze niet alle dertien gezien.

Deze geiten hier zijn ingezet om het maaiwerk te doen.

In de bovenstad loop je door een mooi aangelegde Jardin Public. Via smalle trappetjes daal je af naar de benedenstad, waar je bij het kasteel uitkomt.

Mooi aangelegde trappetjes. Gewoon van beton maar op zo’n manier gemaakt dat het wel boomstronken lijken.

Een bronzen standbeeld middenin de tuin. Muren begroeid met allerlei varentjes.

Bij de ingang van het kasteel een oude watermolen. Een mooi gezicht hoe al het water er doorheen wordt ‘gejaagd’.

In Bretagne zijn zonder een crèpe te hebben gegeten, kan natuurlijk niet. Je struikelt hier bijna over de crèperies. Het was geen straf om bij Tante Suzette er eentje te eten. Thuis toch ook maar eens proberen om zo’n mooi dun exemplaar te bakken!