Pech

Zoals ik al in het vorige bericht vertelde, vonden afgelopen weekend in Frankrijk les Journées du Patrimoine plaats. Twee dagen waarin veel historische monumenten en culturele bezienswaardigheden gratis te bezichtigen waren om zo extra aandacht te vestigen op het culturele erfgoed.

In januari waren we al eens een keer wezen kijken bij het kasteel van Vauchèsse, vlakbij Vernoux-en-Vivarais. Het was toen alleen maar mogelijk om de buitenkant te bewonderen maar de eigenaar adviseerde destijds om terug te komen tijdens de open monumentendagen waarop het kasteel dan ook van binnen te bezichtigen zou zijn. De eigenaar zou dan zèlf de rondleiding verzorgen.

Wij dus zondag vol verwachting op pad naar het kasteel. Komen we daar aan, blijkt de eigenaar ziek te zijn. Geen kijkje in het kasteel helaas, op één ruimte na. Nu ja, dan schuiven we de bezichtiging van het hele kasteel maar door naar volgend jaar! 

Wat plaatjes van de buitenkant van het kasteel. De werkzaamheden zijn alweer flink opgeschoten, vergeleken met ons bezoekje eerder dit jaar. Dit keer staan er geen hijskranen of steigers meer.

Dit is de enige ruimte die we kunnen bezichtigen. Een ‘zaal’ met daarin een monumentale vuurplaats waar de wachters zich vroeger konden warmen.

Mooie muurankers.

Zo’n fraai versierde latei boven de deur zou ik ook wel bij ons op de berg willen hebben. En dat bankje trouwens ook!

Hier doe ik net alsof ik de bewoonster ben van het kasteel; alsof ik straks zo via deze trap m’n eenvoudige optrekje binnen zal gaan. Kasteelvrouwe Annelies!

Kleurrijk

Tijdens een vakantie in Bretagne, alweer een paar jaar geleden, kwamen we in een weiland roze hooibalen tegen. Toentertijd wist ik nog niet dat die te maken hadden met borstkanker maar een tijdje later las ik wat informatie hierover. 

Het oorspronkelijke idee van die roze wikkels schijnt uit Nieuw-Zeeland te komen. Het was daar een initiatief van een boer wiens vrouw borstkanker had. Hij wilde op deze manier aandacht vragen voor de ziekte en geld inzamelen en doneren aan een organisatie die zich bezighoudt met de strijd tegen borstkanker. Per roze hooibaal wordt een bepaald bedrag aan deze organisatie gedoneerd. Naast de roze hooibalen zijn er ook nog andere kleuren bijgekomen. De blauwe als symbool voor onderzoek naar prostaatkanker en de gele als symbool voor onderzoek naar kinderkanker. Sinds ik dit weet kijk ik, waar ik maar kan kijken, of ik ook ergens die blauwe en gele hooibalen kan ontdekken. 

Vorige week was het raak. Toen we op weg waren voor een familiebezoekje in de Corrèze, reden we hierlangs. Een hele rij hooibalen en allemaal gewikkeld in roze, blauwe en gele folie. Een kleurrijk geheel daar in het weiland en met een mooie gedachte erachter!

De Gerbier op

Ook dit is weer een traditie. Als we gasten hebben, proberen we hen altijd mee te lokken naar de Gerbier de Jonc. Het is maar een uurtje rijden bij ons vandaan en door de hoogte ook net een paar graden minder warm en dat is wel lekker met de huidige temperaturen. We zijn vroeg weggereden, want deze berg is een populaire toeristische attractie. Hoe later je komt, hoe meer je op een gegeven moment als een lange rij mieren achter elkaar omhoog kruipt en dat willen we natuurlijk niet.

Iedere keer is het weer genieten als je dan na wat klim- en klauterwerk boven aankomt. Vanaf zo’n dikke 1500 meter hoogte kun je alle kanten opkijken en met dit heldere weer is het uitzicht grandioos! 

Aan de voet van deze Mont Gerbier de Jonc bevindt zich de oorsprong van de rivier de Loire. Er schijnt wat discussie te zijn over de precieze plek. Bij een voormalige boerderij die nu als winkel is ingericht, hangt een bord waarop aangegeven is dat de Loire hier begint. Bij de ingang word je verwelkomd door het geluid van kabbelend water dat via een pijp uit de muur komt en in een grote bak stroomt. Dit water zou uit dezelfde bron komen als waaruit de Loire is ontstaan. Maar een stukje verderop moet ergens in een weiland een bordje staan waarop aangegeven is dat juist daar de echte oorsprong van de Loire zich bevindt. Hoe dan ook, dit hele gebied is mooi genoeg om als rivier ‘geboren’ te worden. De Loire komt uiteindelijk ruim 1000 kilometer verderop uit in de Atlantische Oceaan, bij de plaats Saint Nazaire.

Hooibalen

Onderweg zien we regelmatig van die kaalgeschoren weilanden. De boeren zijn hier druk bezig met het maken van hooibalen. Mooie machines hebben ze daarvoor. Als we die drukte zien dan zeggen we altijd tegen elkaar dat volgens ons die boeren iets weten wat wij nog niet weten. Zoiets van, ze weten dat er regen aan zit te komen en voordat het droge hooi dan nat zal worden, werken ze nog even hard door.

Die ronde balen kunnen we nog mooi eventjes op de foto zetten. Een dezer dagen zal de boer wel komen om ze op te halen. Hoog opgestapeld op een balenwagen worden ze dan naar de schuur gereden. Alvast een voorraadje voor de winter.

Als ik onderstaande hooibalen zie, dan waan ik me gewoon even in Italië. De kleuren van de ‘beschermnetten’ die er omheen zitten hebben namelijk wel wat weg van de Italiaanse vlag! Maar……niks geen Italië, het gaat hier gewoon om een plaatje van het Franse platteland.

Grot op wielen

Pas geleden kwam ik in de krant onderstaande foto tegen die me toch wel wat nieuwsgierig maakte. Een spéléotruck, wat moet je je daar nu toch bij voorstellen!

Het betreft hier een grote vrachtwagen waarop een container is geplaatst. En die container, daar draait het om. Of nog beter gezegd, om de inhoud ervan.

De spéléotruck is een idee van Yannis Rung, van oorsprong een Parijzenaar maar die als liefhebber van de natuur en het sportieve buitenleven uiteindelijk in de Ardèche terecht is gekomen. Diverse sportdiploma’s heeft hij op zak: kanoën, canyoning, klimmen en mountainbiken. Geïnteresseerd in grotten en alles wat daar mee te maken heeft, is hij daarna ook met veel enthousiasme in deze onderaardse materie gedoken en heeft hij z’n officiële papieren gehaald voor speleoloog.

In de Ardèche en dan met name in het zuidelijke deel ervan, kan hij zich volop uitleven in de daar aanwezige grotten. Hij vindt het mooi om als begeleider tijdens deze tochten, uitleg te geven over alles wat zich daar onder de grond afspeelt. Maar ja, helaas komen die grotten niet in heel Frankrijk voor dus om toch zoveel mogelijk mensen enthousiast te krijgen voor zijn grottenwereld, moet hij vast gedacht hebben: als de mensen niet naar mijn grot toe komen, komt ik wel met m’n grot naar hen toe. In samenwerking met mensen die gespecialiseerd zijn in het maken van filmdecors heeft hij een grot nagebouwd. Voor het grote bereik heeft hij er een mobiele grot van gemaakt. Zo echt en compleet mogelijk, met schilderingen van fossielen, stalactieten, stalagmieten en al.

Regelmatig wordt de container ingehuurd door scholen en sportclubs. Hij ziet z’n ‘kunstgrot’ niet als een kermisattractie maar meer als een educatief iets. Al kruipend door die container maken de bezoekers kennis met de mysteries van de ondergrondse wereld. Hij hoopt de mensen op deze speelse wijze enthousiast te maken voor het echte werk in echte grotten. 

Toen ik dat artikeltje las, werd ik gelijk zo’n twintig jaar teruggeworpen in de tijd. In de zomer van 2001 stonden we met de kinderen op een camping in de buurt van Vallon-Pont-d’Arc. Om iets spannends en avontuurlijks te doen met de jongens, had ik kaartjes gekocht voor een ‘kruip door, sluip door’ tocht in een onderaardse grot, onder begeleiding van een deskundige speleoloog.

Dit zijn wat foto’s uit het archief, helaas nog niet digitaal. Ik heb ze gescand, wat minder mooie foto’s oplevert maar het gaat om het idee.

En spannend vonden de jongens het, kan ik je vertellen. Kijk maar eens naar hun ernstige gezichten.

Hier daalt de jongste zoon af naar ‘de ingewanden der aarde’.

Als ik naar mijn eigen gezicht kijk, geloof ik dat ik op dat moment de enige enthousiasteling was.

Achteraf gezien, vonden Ernest en ik het toch ook wel spannend. Niet zozeer het op je buik kruipen door al die smalle openingen maar meer het idee wat te doen bijvoorbeeld bij een hartaanval of een aanval van acute claustrofobie. Hoe kom je dan in vredesnaam zo snel mogelijk weer boven de grond.

Hier hebben we ons ondergrondse avontuur weer achter de rug. Op deze foto zie ik toch wel opgeluchte gezichten!

Verboden toegang

Tijdens een wandeling pas geleden, kwamen we dit bord tegen. Het is misschien hier ooit neergezet toen er op dit pad nog geen enkele bramenstruik of brem of wat dan ook voor weelderig groeiend gewas te bekennen was maar nu heeft de tekst op dit bord vast geen enkele waarde meer. Ik denk niet dat er mensen zijn die hier doorheen willen ploeteren. Wij dus ook niet!

Van Rossaveal naar Inishmore

Het zit er bijna op, onze vakantie in Ierland, alleen een tochtje naar de Aran eilanden staat nog op ons lijstje. Om half elf varen we met een redelijk gevulde ferry vanaf het haventje bij Rossaveal naar het grootste eiland, Inishmore of op z’n Iers Inis Mór.

Na zo’n 45 minuten varen kom je aan in de haven van Kilronan. Het eiland ontdekken kun je al wandelend doen, of op de fiets, via een bus tour of al sjokkend met paard en wagen. Wij gaan voor de fiets. Die huurfietsen zijn niet helemaal zoals we gewend zijn. Alles piept en kraakt en de ketting loopt er twee keer af. Maar ach, het is mooi weer en we hebben geen haast.

Het eiland is maar zo’n 12 tot 13 km lang en 3 km breed en er wonen pak ‘m beet 800 mensen. Heeft men het altijd over het groene Ierland, dit eiland vinden we eigenlijk meer een grijs stuk Ierland. Veel donkere stenen en rotsen en ook hier weer heel veel gestapelde muurtjes van zwartgrijze stenen.

We maken even een pitstop bij de zeehondenbaai. Hier duiken regelmatig zeehonden op om uit te rusten op het stenenstrand. Lekker in de zon zittend op een van de grote stenen zien we ze wel maar helaas niet van heel dichtbij.

Verder fietsend komen we bij Dún Aonghasa, een prehistorisch fort van zeker drieduizend jaar oud. Het bestaat uit drie stevige verdedigingsmuren van donkergrijze steen.

Aan de buitenkant van het fort staan allemaal puntige stenen rechtop in de grond die bedoeld waren om in het verre verleden indringers te weren. Zo’n rij van puntige stenen wordt wel ‘chevaux de frise’ genoemd. Ik zat al aan Friese paarden te denken en vroeg me af wat die in vredesnaam hier op dit eiland moesten zoeken maar het gaat hier dus niet om Friese paarden maar om een verdedigingswijze. Trouwens, een Fries paard is een Frison in het Frans.

Het fort eindigt bij een steile klif. Als je over het randje buigt, zie je hoe diep beneden je de woeste golven stuk slaan tegen de rotsen. Even niet uitkijken en je kiepert zo de Atlantische Oceaan in. Er is geen afrastering te bekennen.

Mooie stenen her en der, met afdrukken van fossielen.

Aan het einde van de dag hebben we weer netjes de fietsen ingeleverd en zijn we daarna nog even als echte toeristen de winkeltjes binnen gelopen. Toen we vanmorgen van de boot afkwamen, kregen we al een foldertje van de Aran Sweater Market in de handen gedrukt.

Als je dan toch op de Aran eilanden bent, moet je natuurlijk ook de bekende Aran truien en vesten bewonderen die hier volop worden aangeboden. Van oudsher werden deze stoere visserstruien op de Aran eilanden gebreid. De vissers die de zee op gingen konden wel een warme trui gebruiken. Het verhaal gaat dat vroeger iedere vissersfamilie een trui had met een eigen uniek ingebreid kabelpatroon. Werd er een keer het lichaam van een overboord geslagen visser gevonden, dan konden ze aan de trui zien waar hij thuis hoorde. Tegenwoordig zijn het hele moderne modellen, zowel voor dames als voor heren maar hebben ze nog wel steeds een wat stoer uiterlijk.

Het enige wat ons tijdens onze fietstocht over het eiland trouwens opvalt is dat we helemaal geen schapen zien. Wat koeien, ezels en een geit en dat is alles en die zullen toch niet de wol leveren voor al die gebreide truien! Nu ja, het zal wel iets uit het verleden zijn en de gebreide spullen worden waarschijnlijk nu gewoon vanuit de fabriek aangeleverd.

Na een mooi zonnig eilanddagje varen we weer terug naar Rossaveal. Die boten lijken zo vanaf de kade wel meer op luxe jachten dan op veerboten, vinden we.

De vakantie zit erop. We gaan de auto inpakken, drinken ‘s avonds nog een afscheidsglaasje Ierse whiskey en dan gaan we morgen op tijd op pad richting Cork om de veerboot te halen die ons terugbrengt naar Roscoff in Bretagne. Wat een schitterende vakantie hebben we daar in dat mooie Ierland gehad!

Richting National Park Connemara

Vandaag zijn we met zon opgestaan. We gaan op pad naar ‘National Park Connemara en om er te komen nemen we alle binnendoor weggetjes die er maar te vinden zijn.

Nog maar net onderweg of we moeten de auto al even aan de kant zetten om van deze meermin een foto te maken. We konden geen informatie vinden hoe en waarom ze hier terecht gekomen is. Waarschijnlijk is het gewoon een grapje van een van de dorpelingen Wel een leukerd, deze meermin die hier over het water staart!

Even verderop rijden we langs het plaatsje Leenaun, dat aan het Killaryfjord ligt. Het langste fjord van Ierland, zo’n 15 km lang.

Nog een stukje verder rijden we voorbij Kylemore Abbey. Het is redelijk druk op het parkeerterrein. Veel bussen met Franse schoolpubers die volgens mij meer geïnteresseerd zijn in hun mobiele telefoon dan in die hele Abbey! Het kasteel met z’n abdij is al groot maar valt helemaal in het niet bij die grote berg erachter: de Duchruach.

Aan het kasteel is een romantisch drama verbonden. Het kasteel werd in 1868 gebouwd en was een geschenk van Henry Mitchell, een rijke man uit Engeland aan zijn geliefde vrouw Margaret.

Eind 1874 gingen Henry en zijn gezin op reis naar Egypte, waar zijn vrouw dysenterie kreeg en overleed. Het lichaam werd gerepatrieerd naar Kylemore. Op het landgoed werd ter nagedachtenis aan zijn overleden vrouw een miniatuurkathedraal gebouwd, samen met een mausoleum waar zij is begraven. Nog meer verdriet volgt. In 1892 verdrinkt een van zijn dochters tijdens een wandeling op het landgoed. Dit tweede drama in combinatie met financiële problemen, brengen Henry ertoe om Kylemore Castle en het landgoed te verkopen. Het landgoed is na geruime tijd uiteindelijk verkocht maar is jarenlang niet bewoond geweest totdat de zusters van een Benedictijner kloosterorde het in 1920 overnamen en er een internationaal internaat en een dagschool voor katholieke meisjes uit de omgeving stichtten. Momenteel wordt het nog steeds bewoond door de nonnen. Met steun van de Ierse overheid en het organiseren van rondleidingen kan het landgoed met het kasteel, de abdij en de fraai aangelegde tuinen en kassen overeind blijven.

Door naar het dorpje Letterfrack, waar de ingang zit van het National Park. We gaan eens even kijken of onze loopspieren het nog doen, na alle fietskilometers van afgelopen weken. We willen naar de top van Diamond Hill.

Je begint op een goed aangelegd pad dat, hoe hoger je komt, meer en meer op een wat grof uitgevallen ‘hink stap sprong trap’ gaat lijken en bij de top voor wat klauterwerk zorgt.

Maar eenmaal boven gekomen heb je een schitterend 360° uitzicht.

Met helder weer moet je vanaf deze berg ook goed de Twelve Bens kunnen zien. Twaalf bergen waarvan de hoogste top ruim 700 meter is. Toen wij bovenop de top stonden was het helaas niet helder genoeg om de Bens allemaal goed te kunnen zien, laat staan ze ook te kunnen tellen maar het zullen er vast wel twaalf zijn.

Bovenop de top maakten we foto’s van een medeklimster en zij van ons.

We raakten aan de praat en toen bleek dat ze een Française was en de Ardèche goed kende. Ze had zelf een huis in Aubenas. Ze kende zelfs de Gerbier de Jonc en de Mont Mezenc ook. Leuk toch, zo’n gesprek bovenop de top van een Ierse berg!

Tocht langs de meren

Op de weerapp zien we dat er tot 12.00 uur nog wat kans is op regen dus we besluiten om pas na de lunch ons stalen ros te bestijgen en een fietstocht langs een paar meren te gaan maken. We beginnen aan het randje van Lough Corrib. Er wordt gezegd dat er in dit meer wel 365 eilandjes liggen. Voor iedere dag een eiland!

Connemara heeft trouwens wel honderden meren en meertjes. Al fietsend hier komt dan ook regelmatig dat bombastische liedje van Michel Sardou bij me boven drijven, ‘les Lacs du Connemara’. Ach, het fietst wel lekker weg op die dreun.

Stevig doortrappend fietsen we verder langs dit meer om bij Cong uit te komen, een wat toeristisch plaatsje met een mooie abdij-ruïne en daarachter een groot park.

De oude abdij-ruïne dateert van begin 1100 en is gebouwd op de restanten van een 7e-eeuws klooster. Jammer natuurlijk dat er niet nog meer van over is gebleven maar met wat verbeeldingskracht kun je je toch wel voorstellen hoe de monniken hier vroeger hebben rondgelopen.

Het vissershuisje dat erbij hoort is waarschijnlijk gebouwd in de 15e of 16e eeuw. In een folder hierover staat dat vis een belangrijk deel van het menu van de monniken uitmaakte. Het huisje is gebouwd op een platform van stenen en staat daardoor wat hoger van het water af. Het water van de rivier kan zo onder de vloer door stromen. Er moet ook nog een luik in de vloer hebben gezeten dat door de monniken kan zijn gebruikt om de netten uit te gooien en in de rivier te werpen.

Allemaal heel mooi en aardig die abdij maar Cong is het meest bekend van de film ‘The Quiet Man’ uit 1952 met John Wayne en Maureen O’Hara. Ik ken John Wayne eigenlijk alleen maar als stoere cowboy maar in deze film speelt hij een Amerikaanse ex bokser die teruggaat naar z’n vaderland Ierland om daar een nieuw leven op te bouwen en daar de liefde van z’n leven vindt. De film is destijds op diverse locaties in en om het dorp opgenomen en dat men daar nog steeds heel trots op is, wordt op allerlei manieren getoond.

In het centrum van het dorp staat een beeld van John Wayne en Maureen O’Hara. Er is een stel dat zich in dezelfde pose op de foto laat zetten. Ernest wil ons ook wel zo laten fotograferen maar dat heb ik ‘m toch maar afgeraden. We moeten namelijk nog ettelijke kilometers fietsen en om dat nu met een zere rug te moeten doen…..

Dat huisje met de rode kozijnen is The Dying Man House. Het klinkt wat luguber, maar deze naam slaat terug op een gebeurtenis die plaats vindt in de film The Quiet Man. Een man op sterven springt uit z’n bed en rent dit huisje uit, als hij van het vuistgevecht hoort tussen de hoofdrolspeler en de broer van z’n aanstaande bruid.

In het centrum van het dorp staat deze pub die tijdens de filmopnames ook is gebruikt. Achter de ramen staan diverse dingen uitgestald die daar nog naar verwijzen.

We hebben nog wat meer meren op ons programma staan. Cong ligt eigenlijk tussen twee meren in, aan de andere kant van het dorp vinden we Lough Mask.

Lough Mask

Halverwege krijgen we een korte maar heftige bui over ons heen maar stoer als we zijn, fietsen we gewoon door en waaien we eigenlijk best wel weer snel droog.

Lough Nafooey

Deze drie meren zijn weer even genoeg geweest voor vandaag. Terug in Maam doen we nog wat boodschappen in de winkel naast de Keane’s Pub waar we afgelopen zaterdagavond geweest zijn en waar we zo’n mooie muziekavond hebben meegemaakt. De man bij de kassa herkent ons van die avond en vraagt of we genoten hebben van de muziek. Hij vertelt dat de zingende man oorspronkelijk hier vandaan komt maar in de jaren 60 en 70, toen er veel werkloosheid heerste in Ierland, geëmigreerd is naar Engeland. Hij woont en werkt nog steeds in Engeland maar komt toch regelmatig terug naar Maam. Die muziekavond was er dus alleen maar omdat deze man op dit moment in Maam op bezoek was! Bofkonten zijn we!

 

Stoer!

Richting Donegal fietsend zagen we vanuit de verte bij de Mountcharles Pier wat felgekleurde ballen in het water drijven. Wat dichterbij gekomen zagen we dat er ook mensen aan vast zaten. Een paar vrolijke dames en een enkele heer waren hier in de baai aan het zwemmen. Die gekleurde ballen waren de safety drijvers op hun rug. Sommige zwemmers hadden wel een wetsuit aan maar ik zag ook een paar wat blotere dames ertussen zwemmen. We hebben het water even getest maar dat voelde echt nog niet lekker zomers aan. Stoer hoor!