Met een tjokvolle auto zijn we vanuit Nederland weer teruggereden naar onze berg. Nu eens een keer niet veroorzaakt door de hoeveelheden drop, stroopwafels, nasikruiden of wat dan ook voor spullen die we iedere keer vanuit Nederland meenemen omdat we ze hier niet of nauwelijks kunnen krijgen. Ditmaal bestond de bagage uit vijfenzeventig beukhaagplanten die we met flink wat passen en meten in de auto hebben gepropt. Het moet een nieuwe heg worden aan de rand van ons terras waar nu nog drie naaldbomen staan. Het gaat hier om vliegdennen, die ooit spontaan op deze plek terecht zijn gekomen. Van heel klein en bescheiden zijn ze in de loop der jaren uitgegroeid tot forse exemplaren. Te hoog, te breed en ook nog een favoriete plek voor die vieze witte suikerspinachtige bollen, waar in het voorjaar de dennenprocessierupsen uit komen kruipen. Kortom, tijd voor verandering. Voordat we naar Nederland gingen hadden we reeds wat voorwerk verricht en al een diepe sleuf gegraven van zo’n vijftien meter lang. Bij aankomst op de berg hoefden we alleen nog maar (nu ja….alleen nog maar!) de planten erin te zetten, de sleuf weer vol met grond te gooien en de planten liefdevol toe te spreken en aan te moedigen. Zijn ze over een tijdje mooi gegroeid tot een respectabele hoogte dan is het voor de dennenbomen einde verhaal en gaan ze eruit.